
Het was een middag in de herfst, of misschien het begin van de winter — de seizoenen glijden langs je heen als je leert loslaten, zei ze. Ze vertelde het rustig, zonder haast, zoals iemand die gestopt is met het te bewijzen. Het zen-boeddhisme, zei ze, had haar niet iets gegeven. Het had haar iets afgenomen. Er was iets lichter geworden.
Ze had het lang verkeerd begrepen, net als de meeste mensen. Dat loslaten een soort opgave was. Iets dat je moest presteren, netjes, met beide handen. Maar nee het is geen handeling. Het is een houding een manier om in het leven te staan — of liever: waarop je jou wereld laat gaan zonder er al te stevig in te grijpen.
Voor haar was het begonnen met kleine dingen. Een verwachting die niet uitkwam. Een persoon die wegging. Ik zag van me zelf hoe ik vasthield, hoe ik het probeerde in te lijven, voelde hoe het pijn deed, niet omdat het verlies groot was maar omdat het vasthouden zo vermoeiend en pijnlijk was. Langzaam, zoals een rivier zijn oevers vormt, veranderde er iets in haar.
Ze citeerde het zoals je iets citeert dat je niet zelf hebt bedacht maar wel had kunnen denken: op het einde zijn er maar drie dingen die er toe doen: hoeveel je hebt liefgehad, hoe liefdevol je vorm hebt gegeven aan je leven, en hoe sierlijk je datgene wat niet voor jouw bedoeld was weer hebt losgelaten.
Sierlijk, dat woord bleef bij hangen, zei ze. Niet stoïcijns. Niet onverschillig. Sierlijk — alsof het loslaten zelf een kunstvorm is, iets dat oefening vraagt en aandacht en ja, ook liefde. Ook dat had haar getroffen. Dat je zelfs in het afscheid nog lief kunt zijn. Voor de ander. Voor jezelf. Voor dat wat het dan ook was.
Ze zweeg even. Buiten bewogen de takken. Ze keek ernaar zoals je kijkt naar iets dat je niets verschuldigd is en juist daarom mooi is.
Marcel de Wit


