Herschreven juni 2026
Het was warm vandaag, een van de warmste dagen van augustus. Het was een dag waarop de zon aan me trok en de warmte bleef hangen. Deze zinderende warmte doortrok mij, je kon het zien. Als ik voor me uit keek, zag ik haar vibreren. Niets was voor de warmte een taboe.
Op een bankje zat ik, dromerig voor me uitkijkend. Voor me, een brede, traag stromende rivier. Aan de oevers zag ik boompjes staan, als een paar bij elkaar, verspringend in het landschap. De uiterwaarden met hun koeien graasden even traag als ik droomde, schaduw zoekend bij diezelfde boompjes. Op de rivier ploeterde een boot, zich langzaam tegen de stroom inwerkend.
Naast mij was een oudere man komen zitten. Hij had een bril op, rook een beetje ongewassen, eigenlijk te warm gekleed voor de tijd van het jaar. Zijn zilveren haren lagen plat over zijn hoofd, in het midden afgedekt door een zakdoek, doordrongen van zweet. De snor onder zijn neus was grijs, maar verried de kleur die zijn haar ooit gehad moest hebben. Zijn wenkbrauwen groeiden eigenwillig, elk een andere kant op — het was duidelijk dat hij er weinig aan deed. Zijn nagels waren lang, onverzorgd. Ik schatte hem een jaar of tachtig.
Kort ervoor, toen hij de dijk op kwam hompelen, was er iets in zijn houding dat aan vroeger deed denken. Misschien een eenzaam verleden. Wel getrouwd, kinderen, maar toch nooit gedeeld, ging er door mijn hoofd.
Misschien ook wel een verleden dat verborgen moest blijven, dat leefde in een eigen donkere hoek. Hij, ervoor weglopend, toch ook omcirkeld door wachters in uniform — grijze, groene uniformen met stalen helmen. Gezichten zonder leven, met de dood als compagnon. Gezichten die donker waren, uit geholde ogen, koude uitstralend. Een doel dienend. Bewaking.
De oude man schoof een beetje op, dichter naar mij toe. Zonder me aan te kijken begon hij tegen me te praten.

“Deze rivier,” zo begon hij, “stroomt uit het hart van een land waar ik een hekel aan heb. Toch was mijn moeder daar, ik was daar, mijn zoon was daar. Nooit gedacht, noch gewenst. Ik ben gegaan, zoals zo velen met mij, verplicht in die tijd. Voor sommigen was het in het begin het beloofde land. Later veranderde het in een muil die niet dicht ging, met een groot, alles verterend vuur erachter.”
Niet meteen begrijpend keek ik hem aan. Hij zag dat, gniffelde met zijn neus en lachte toen plotseling vriendelijk.
“Ja, ik begrijp het. Ik was in mijn gedachten verdwaald, en u bent daar nooit geweest.” Het beeld in mij werd anders.
Hij bleef me aankijken. “Ja wel,” zei hij. “Jij was er niet bij, ik wel. Hij — mijn zoon — ook niet. Maar woonde er wel.”
Opnieuw keek ik hem verbaasd aan, zweeg toch.
“Mijn zoon, bedoel ik. Ik heb drie kinderen — eigenlijk vier, twee dochters en twee zoons. Waarvan de eerste doodgeboren is. De kinderen zijn na de oorlog geboren, bij een andere vrouw dan die waar tijdens de oorlog mijn hart naar uitging. Maar de vrouw waarmee ik getrouwd ben ik hield wel van haar en was van plan de rest van mijn leven met haar tedelen. Dat was toen, dat moet duidelijk zijn — toen ik gevangen was.
Ja, jij zit me nu aan te kijken, maar met ’toen’ bedoel ik de Tweede Wereldoorlog. Hitler-Duitsland. Midden in de nacht hebben ze mij van het bed getild, gesleept. Werd ik op transport gezet. Papieren had ik niet — de Nederlandse politie trok me mee, samen met de Duitse. Ze moesten meewerken, die Nederlanders; het zou hun baan gekost hebben, of erger, hadden ze geweigerd. Misschien was het zo, misschien ook niet. In ieder geval had ik geen papieren bij me. In Bad Bentheim aangekomen — net over wat nu nog de grens is — werd ik voor de eerste keer in elkaar geslagen, omdat ik geen papieren had. Daarna kreeg ik papieren. Kleren had ik niet, niets. Naar Bremen vervoerden ze mij. Werken. Dwangarbeid.”
Een onbestendig gevoel maakte zich van mij meester. Iets van herkenning. Duitsland — een land rijk aan cultuur, met een veelzijdige taal, lekker bier, goed eten en veel aardige mensen. Een land dat me de mogelijkheid had geboden mezelf te leren kennen. Een andere kant te beleven, te ontwikkelen. Te studeren, een rijbewijs te halen. Mooie Duitse vrouwen te zien en te voelen. Te genieten van het glooiende, gele landschap. De Duitse feesten op boerderijen, en Duitse mannen die vrienden werden. Ja, die andere “ewig gestern” ben ik ook wel tegengekomen — voornamelijk tijdens het werk — mensen die dachten dat Nederland een provincie was van Duitsland. Of mensen met een tatoeage op hun arm, een bloedgroep en nog wat, geloof ik. Ook zij dachten dat het nooit had moeten veranderen. Dat ze gelijk hadden. Anderen dachten er anders over, schaamden zich, voelden zich schuldig, wilden er niet over praten. Jongeren die door de omstandigheden een andere weg kozen, die openlijk racisme en geweld pleegden. Vrouwen met een gestoord leven achter de rug — verkracht door hun bezetter, of bevrijder, zoals die later genoemd werden. De rook die er hing, stonk nog steeds herkenbaar, in het concentratiekamp waar ik was tijdens een week over “het fascisme”. Een examen over collaboratie in Nederland. Een verhaal over de bestuurder van de trein die vol met mensen reed, van mijn land naar het concentratiekamp. De piloot die bommen gooide op de steden — steden waar nu, in de oude binnenstad, nieuwe gebouwen staan. Steden zonder binnensteden. Boeken die ik las, zoals “De SS-staat” — alles leek altijd een verhaaltje, het onvoorstelbare dat het heeft kunnen plaatsvinden. Dat het werkelijk heeft plaatsgevonden. In dat land, met zijn mooie glooiende heuvels, ’s zomers in het geel. Ik had het er goed, ook al bleef ik leeg en op zoek. Nee, gevonden heb ik het niet. Dromen over de mogelijkheden die er zijn om het volgende te gaan doen, was mijn grootste passie.
De stem van de man rukte me plotseling weer terug.
“Tijdens mijn gedwongen verblijf in de stad, vol wapenindustrie, was er elke dag een verplicht luisteren naar propaganda. Altijd en overal. ’s Morgens om zeven uur werd ik opgehaald door de bewakers, en we liepen dan in een groep naar de fabriek, waar we aan het werk werden gezet.
Voortdurend was er toezicht — je mocht eigenlijk niet praten met een ander. Een mager soepje van aardappelen en/of brood werd ’s middags gegeven. Mensen met allerlei nationaliteiten. Ik heb daar Russisch, Fins en Pools geleerd.
Een vrouw ben ik daar tegengekomen. Zij liet mij zien wat het is man te zijn. Ze kwam uit België, was vrijwillig naar Duitsland gegaan. Werkte bij een Anwalt. Mooi was ze.
TBC heb ik er ook gehad. Niets deden ze eraan — dankzij diezelfde Anwalt en mijn Belgische vriendin kwam ik in het ziekenhuis. Genas ik. ‘Städtische Krankenanstalt’, en voor mijn latere longontsteking ben ik opgenomen in het ‘Sankt Josephstift’. Ook in het ziekenhuis was voortdurende bewaking. Ik ben tot drie keer toe ernstig ziek geweest. Dit betekende niet dat ik niet naar mijn werk hoefde te gaan. Niet naar je werk gaan betekende geslagen worden tot je op het werk was, of erger.
Mensen werden bedreigd en vermoord. Geleden heb ik aan difterie, tyfus en longontsteking.
Ook was ik hoofd voedselverdeling. Voedsel verdween — op mij richtten ze het wapen. Ik wist van niks. Uiteindelijk geloofden ze me. Mocht ik verder leven.
De Engelsen bevrijdden ons. Ze schoten mijn kameraad zomaar neer — hij luisterde niet, en zij wisten het niet. Ik riep nog tegen hem dat hij moest blijven, niet moest proberen over het hek te klimmen. Hij deed het toch. De Engelsen zagen het verschil niet. Wat maakt het ook voor verschil, als je vanuit Frankrijk naar Bremen gekomen bent in een oorlog — welk verschil maakt het dan of ze mijn vriend doodschieten? Geen. Dat begrijp je.”
Wat begreep ik dan nu, dacht ik kwaad — dat je afstompt, doodt en verderf zaait aan elke kant? Geen idee. Zo zal het beslist gebeuren. Ik zei het hem niet, ik wist het: er bestaat geen verschil meer. Misschien later, voor je gevoel misschien, als je bij de goede kant hoort. Het is niet echt belangrijk, of wel — de man verwarde mijn gedachten.
Een aalscholver dook in het water, kwam naar boven met een zilveren vis die in de zon weerkaatste en spartelde. De vogel vloog in een scherpe bocht naar boven, de vis stevig vastklemmend.
Ik wist dat de grootste kolonie aalscholvers van Nederland in Friesland huisde. Ze visten ver van hun broedgebied — honderd kilometer of meer was geen uitzondering. Een fantastisch mooie vogel, vooral wanneer ze langs de vloedlijn staan met hun vleugels uitgeklapt, drogend in de zon.
“S ‘avonds werden we onder bewaking weer teruggebracht naar onze barakken,” vervolgde de man zijn relaas. “We sliepen daar. Later, toen de Engelsen het kamp bombardeerden, hadden we geen plek om te schuilen. De bunkers waren voorbehouden aan het ‘Herrenvolk’. Wij moesten het stellen met houten planken, zonder beschutting tegen de bommen. Er was geen mogelijkheid om vrij rond te lopen, alleen in het begin van mijn gedwongen verblijf in Duitsland.
De bewakers straalden een voortdurende dreiging van geweld uit. Ze pasten het ook toe — wanneer ik even zou gaan rusten, werd ik meteen geslagen. Het kon nog erger: ze dreigden, of voerden het uit, al naar gelang hoeveel mensen er nodig waren om de fabriek draaiende te houden, met het ‘Erziehungslager’. Als je daarheen gebracht werd, was het waarschijnlijk afgelopen met je. Uiteindelijk, dat begreep ik later, was het een mogelijkheid — een volgende stap in een intimidatieproces. Ik zag ook: als je toch terugkwam, kwam je gebroken terug, en sprak je met niemand meer.”
De aalscholver zette zijn vlucht terug in, naar zijn jongen, dacht ik. Daar zou hij het voedsel uitbraken, zijn jongen zouden ervan groeien. Je ziet ze eigenlijk overal. Ik herinnerde me hoe ik ze voor het eerst zag — ik dacht dat ze zeldzaam waren. Nu zie je ze bijna overal. Op de weg, als je in een langzaam rijdende file staat langs het kanaal. Dan zie je ze boven op een lantaarnpaal zitten, die ’s nachts de weg verlicht.
“Andere vormen van intimidatie,” vervolgde de man, “waren regelmatig terugkerende voorbeelden van wat er met je zou kunnen gebeuren als je niet deed wat de nazi’s van je verwachtten. Zo werden we bijvoorbeeld gedwongen om te kijken naar mensen die werden opgehangen.
Het eten en drinken was bijzonder slecht, dat zei ik al. Soms werd ik ook bedreigd met een pistool op mijn gezicht, met de vraag wie er voedsel had gestolen. Dat vertelde ik ook al, al was het in andere woorden. Ik herhaal het telkens weer — de laatste tijd wordt het erger. Vaker, intenser. Altijd heb ik gedacht: je moet niet omkijken, blijven lopen, vooruitkijken. Achter me was iets. Nu loop ik niet meer zo snel — dat komt door mijn knieën. Die doen pijn. Ouderdom, zegt de arts, moet je mee leren leven. Daardoor komt het dichterbij, en kan ik me er niet meer tegen weren. Dus herhaal ik het maar.”
De aalscholver verdween uit mijn blikveld. Het zonlicht bleef fel en heet. De man had er, net als ik, last van. We zaten en transpireerden beiden.

“We zijn lopend Duitsland uit gegaan,” ging hij verder, “samen met een paar kameraden, ook Nederlanders. We stopten ’s avonds bij boeren. Hun vrouwen moesten ons dan te eten geven. We hadden alles wat eetbaar of bruikbaar was meegenomen uit het kamp. Zij moesten het koken. Dat deden ze ook. We sliepen dan ergens in het hooi. In het westen van Duitsland zijn we het land uit gegaan, Nederland binnen. Met een boot ben ik toen het IJsselmeer overgestoken. Van het Rode Kruis, uitgemergeld, in een bed.”
“Nee, je hebt er geen vat op, mijnheer,” zei hij, mij aankijkend.
Ik knikte begrijpend, trok mijn mondhoeken naar beneden en liet de lucht langzaam sissend door mijn lippen ontsnappen — misschien wel als een aalscholver die fluitend naar beneden kwam. Het viel niet op, maar ik bleef betrokken kijken.
“Ik heb de rest van mijn leven geprobeerd er niet aan te denken. Overdag ging dat wel, ’s nachts niet — ik werd vaak zwetend wakker. Er waren tijden dat mijn vrouw me midden in de nacht afdroogde. Herinneringen die altijd onverwachts opdoken, legden een enorme druk wanneer ze er waren.
Drie kinderen heb ik, eigenlijk vier — de eerste is dood geboren. Mijn oudste dochter moest per se op de vierde mei naar Duitsland. Ik wilde haar die reis verbieden, maar stemde er uiteindelijk mee in. Je kunt dat soort dingen niet verbieden, maar ze begreep niet waar het om ging. Naar Berlijn wilde ze. Naar Berlijn.” Hij zuchtte.
“Mijn zoon had een relatie met een Duitse vrouw. In Portugal was hij haar tegengekomen. Hij vertrok. Ik heb niets gezegd. Ik ging bij hem op visite — het was tenslotte mijn zoon. Ik was al vaker het land door gegaan, naar Oostenrijk. Het was voorbij, ook al bleef het bestaan. Nu komt het steeds vaker terug. Ik moet erom huilen, verdrietig ben ik erdoor. Nooit meer oorlog, denk ik dan, maar het vuurwerk is al genoeg. Soms alleen al een vogel die naar beneden duikt. Een plotselinge klap. Ja, mijnheer. Of zoals nu, hier op de bank, waar u als vreemde zit en ik vertel.”
Hij keek me aan alsof hij me nu pas zag zitten. Een beetje beschaamd, keek hij me aan.
“Ik ga nu maar weer.”
Samen keken we een moment over de rivier. Het water stroomde traag voort. Het leven onder de waterspiegeling kon ik niet zien. Het was er — de aalscholver had het bewezen. Hij had er een levende vis uit gehaald, hem doorgeslikt en meegenomen naar zijn broed. Braakte het daar waarschijnlijk weer uit. De afstand speelde er geen rol in; hij voerde zijn broed opdat de soort bleef voortbestaan en zich kon ontwikkelen. In het beter leren jagen, sneller een prooi waarnemen, sneller kunnen doden. Zodat de soort in stand kon blijven.
De man naast me stond op. “Een prettige dag nog,” en liep met zijn wandelstok hompelend de dijk af.
Vandaag was het een dag dat de zon aan me trok, de warmte bleef hangen. Deze zinderende warmte — je kon het zien. Ze maakte zich zichtbaar door te vibreren als je voor je uit keek. Midden augustus, een van de warmste dagen van de maand. Niets was voor de warmte een taboe.
Het bankje waar ik nog steeds op zat, keek uit over een brede, traag stromende rivier. Bij de boompjes aan de overkant was weer een aalscholver komen zitten. De uiterwaarden met hun koeien graasden even traag, sommige zochten schaduw. Zo trok de rivier voort, samen met een boot die zich langzaam tegen de stroom in werkte.
Ik zag het nu weer, alleen zittend op dat bankje — samen met de schuld.
We bleven er zitten.
Juni 2026
Copyright © Marcel de Wit, 2026
