Dieren kijken je aan

In de schemering voelde het pad vreemd zacht onder mijn voeten.
Een kangoeroe lag midden op het veld, roerloos, zijn ogen te menselijk.
Naast hem zat een kat, haar pupillen smal als naalden, alsof ze iets wist.
Uit het duister klonk het lage loeien van een koe, maar ik zag haar nergens.
Een aalscholver hing als een zwarte schaduw aan een tak, vleugels half gespreid.
Een eend dreef in een plas die er eerder niet was, haar blik koud en stil.
De lama keek me aan alsof ik een fout had gemaakt die niet meer te herstellen was.
Een kikker sprong voor mijn voeten en bleef zitten, onbeweeglijk, alsof hij wachtte.
Toen landde een kauw op mijn schouder, fluisterend zonder geluid.
En hoog in de bomen wiegde een aap, zijn ogen glanzend als natte stenen.
Ze vormden een kring om me heen, zonder te bewegen, zonder te knipperen.
De nacht leek dieper te worden, alsof zij haar adem inhield.
Ik wist niet of ik moest blijven staan of rennen —
maar hun blikken hielden me vast, als touwen van stilte.