Een bezoek brengen aan een vervallen bordeel, waar alles nog staat, is een beetje alsof de tijd is blijven haken. Het heeft bijna iets spookachtigs. Niet dat het er eng is, maar geladen is het alsof de muren nog fluisteren, conversaties weergeven.
Stel je een gebouw voor waar de stof rond dwarrelt, de stof als een dunne sluier over alles. De rode tl-lampen hangen er nog, dof geworden, maar duidelijk herkenbaar door het typische rode licht, goedkoop en zonder warmte. De fluwelen gordijnen zijn verbleekt, de randen rafelig. De spiegels hebben een waas gekregen, maar als je erin kijkt, dan weerspiegelen ze nog steeds de ingebrande contouren van een leven dat daar allang verdwenen is. In de kleine kamers vind je de karkassen van de bedden die er nog staan, liggend op het bed. Kijk je uit op de gang, waaraan de vele kamertjes liggen. Ook zij ademen een sfeer uit die ooit uitnodigend moest zijn. De kaptafel is leeg en met een beetje fantasie ligt er een parfumflesje, halfvol, alsof iemand het elk moment kan komen ophalen. Een paar hakken staan scheef onder een stoel, alsof ze haastig zijn uitgetrapt. Maar het oogt allemaal verlaten. In de onderzoekskamer, die gebruikt werd voor de controle van de lichamelijke gezondheid van de hier werkende dames, is het nu stil. Dat valt in het gebouw het meeste op. Een stilte die niet leeg is, maar zindert van herinneringen. Je voelt dat hier gelachen is, gefluisterd, onderhandeld, gedanst. De echo’s zitten nog in de vloerplanken. Mooi was het.

