Twee mensen liggen in het gras, dicht tegen elkaar aan. Haar hoofd op zijn arm, die arm slaapt nu een beetje maar dat verteld hij haar niet.
De zon staat hoog. Het is juni half twee ’s middags, het gras prikt door haar shirt heen en ergens zoemt een wesp ze wil niet bewegen zo blijven liggen dat is het.
Een pont vaart voorbij, motor knarsend, een wolk vol zware uitlaatgassen volgt. Een vrachtschip neemt de bocht, traag, te traag bijna, alsof de schipper koffie haalt. Op de voorplecht staat een vrouw met een telefoon aan haar oor. Ze lacht om iets dat iemand anders zegt.
De twee in het gras zien het schip niet eens. Ze kijken naar elkaar, ze kijken als mensen die net wakker zijn geworden uit een droom.
De pont meert af. Een fietser rijdt van boord, een hond blaft naar een eend.
Dan staat de vrouw op, klopt het gras van haar broek. Hij kijkt op zijn horloge en zegt iets over het eten, of over morgen, iets gewoons wat het moment doorbreekt. Ze lopen terug naar de fietsen die tegen een paal staan, een beetje stijf nog van het liggen.
Het schip is allang verdwenen achter de bomen. De pont vaart terug, met andere mensen, andere fietsen, maar dezelfde route als daarnet.
Niemand schreef dit moment op. Er was gewoon een middag, wat gras dat plat gedrukt werd en weer overeind kwam, twee mensen die naar huis moesten, en een rivier die deed wat rivieren doen.
Marcel de Wit

